Pinksterkuikens


Sinds lange tijd overleven er in het Noorderplantsoen nog maar heel weinig eendenkuikentjes. Ze worden gegrepen door meeuwen, reigers, katten, ratten en snoeken, of ze komen jammerlijk om in de duikers die de vijvers met elkaar verbinden. Vorig jaar zijn er slechts twee groot geworden. Eén daarvan is door een speling van het lot op het eilandje bij de Kerklaan uitgebroed en opgevoed door twee ganzen, die ik voor het gemak maar Jan en Jans noem.


Dag 1

Op 22 mei dit jaar zie ik bij de voederplaats een hoopje van negen schattige pulletjes in het gras liggen. Hun moeder wordt ondertussen in de vijver door twee woerden verkracht, dus ik betrek maar even de wacht bij het grut. Verfomfaaid, maar ongebroken keert ze terug naar haar kroost. Vervolgens probeert ze te ontkomen aan de mantelmeeuwen die het op haar nakomelingen hebben voorzien. Na een wilde survivaltocht weet ze zich in veiligheid te brengen in de dekking van de laaghangende takken van de treurbeuk.


Dag 2

Een dag later zijn het er nog slechts zeven. Het blijkt dat één van de kuikentjes zojuist in de duiker bij de Kerklaan is gevallen. Hij piept hartverscheurend omdat hij niet tegen die steile wand op kan, de moeder kwaakt overstuur en ook de soepganzen krijsen oorverdovend mee. Door al die herrie komen er steeds meer buurtbewoners kijken naar het pulletje dat daar volslagen hulpeloos in de prut ronddobbert. Een buurtman baant zich een weg door de vegetatie en waagt manmoedig zijn leven door, hangend in het fluitenkruid, naar het kuiken te hengelen. De familie wordt weer gelukkig herenigd.
Maar nu hebben de ganzen het op het kroost voorzien. Ze jagen de kleintjes op en proberen ze te bijten, onder water te duwen en uiteen te drijven. Alleen Jan en Jans doen hier niet aan mee. Ze zijn reuze nieuwsgierig en opgewonden, maar niet agressief. Uiteindelijk lukt het de eend om op het eilandje te klimmen en daar alle jongen veilig onder haar vleugels te bergen.


Dag 3

De volgende dag ben ik weer ter plekke. Er zijn nog slechts vijf kuikens. Ze zwemmen her en der verspreid. De moeder op afstand. Jan en Jans houden zich in de buurt van de jonkies op. Beide produceren opgewonden geluiden van “asjemenou!”. De kleintjes trekken zich er niets van aan. Er komt een gezin met kinderen naar de waterkant. Een meisje heeft een emmer bij zich met daarin een eendenkuikentje. “Gevonden in onze tuin!” vertelt de moeder. Ze woont halverwege de Verlengde Grachtstraat. Dat is een flinke afstand, daar wandel je als eendagskuiken niet zomaar even naartoe. Het moet gegrepen zijn door een rover en daar ontsnapt zijn. Het pulletje wordt te water gelaten en het zwemt direct naar zijn moeder die zich erover ontfermt alsof het vanzelfsprekend is. En toen waren er weer zes.
Er landt een blauwe reiger op de waterkant. De moedereend let niet op en een van de jonkies zwemt in zijn uppie in de buurt van de duiker. De reiger heeft het ontdekt, ziet zijn kans schoon en vliegt eropaf. Dan volgen een paar kreten: van de reiger, van mij en van Jan en Jans. Die reppen zich naar het kuiken toe en jagen de reiger weg.
De eendenfamilie heeft zich weer teruggetrokken op het eiland. Vlak vóór hen in het water houden Jan en Jans de wacht. Hun eigen eieren zijn dit jaar niet uitgekomen, maar zij baden in zoete herinneringen.


Dag 4

Aan het prille geluk komt een voortijdig einde. Er leeft nog maar één kuikentje. Omdat hij geen speelkameraadjes meer heeft vermaakt hij zich met een blaadje.
Waarom zien die beestjes er toch zo aandoenlijk uit?


De dag des oordeels

De ganzen tonen geen interesse meer. Alle pulletjes zijn op.
De ex-moedereend heeft haar trouweloze partner teruggevonden.
“Waar was je nou?”
Op de waterkant bij de treurbeuk ligt een dode mantelmeeuw.
Ik vind dat helemaal niet sneu.