bijna lente


Het is voorjaar geworden zonder dat ik er erg in had. Zon aan de hemel, blaadjes aan de bomen, bloemetjes in het gras, net of het allemaal niks is.
Vanwege een lichte handicap aan mijn linker voet ben ik er al enige tijd niet meer geweest, maar vandaag heb ik besloten om te proberen te gaan wandelen. Niets forceren, gewoon kuieren.

Het zijn plotseling allemaal paartjes, die beesten. De eenden, ganzen, meerkoetjes, kool- en pimpelmezen, kraaien en winterkoninkjes, allemaal twee aan twee. Hoe flikt dat gevogelte hem dat nou toch ieder jaar?
Ik vind dat ik er een beetje mal uitzie, zo in mijn eentje en ga maar even in het gras zitten om het spektakel te bekijken.

Ah! Er zwemmen toch ook een paar vrijgezellen rond, zo te zien. Die zijn drukdoende met pogingen om een dame weg te kapen waarbij ze af en toe flink worden toegetakeld door de verloofde. Twee witte eenden jagen luid kwakend samen achter een zwarte eend aan. Ze pikken hard naar hem en duwen hem onder water. Kijk! De kokmeeuwen doen niet aan paarvorming, die staan gewoon in een groep wat dom te koekeloeren, sommige nog in winterkleed. Soms vliegen ze op en produceren rauwe, raspende tonen.
Ik loop het heuveltje op langs de Ginkgo en dan sta ik op het hoogste punt van Groningen: 14 meter boven N.A.P., de Groningse Olympus. Ik kijk om me heen en ben tevreden. Alles begint weer te groeien en de Gele Kornoelje staat al in volle bloei.
Toch weer gered dit jaar, maar het was op het nippertje. Mensen, vooruit, naar buiten! Dit is het mooiste jaargetij!

De ganzen maken zoals gewoonlijk weer veel kabaal. Deze keer is het wel erg raak: ze gakken luidkeels en zitten elkaar opgewonden achterna. Zouden ze alweer aan het baltsen zijn? Ze steken
hun kop in het water,
slaan lachwekkend hard met de vleugels op het wateroppervlak en verdwijnen af en toe helemaal onder water.

"Dat is een onderwatergans." merkt een jongeman op die
naast mij in het gras is komen zitten en die mijn verbaasde blik volgt.
Het is een goedgevulde gans stel ik vast als hij weer boven water komt.
Hij doet mij erg aan eten denken. Ik heb nog niet ontbeten en mijn maag rammelt. Ik merk dat het water me in de mond
loopt.
Oie ŗ la Bordelaise, ow, dat is alweer lang geleden.
De gans klimt op de waterkant en komt luid gakkend en heftig op mij af; onwillekeurig schuif ik een beetje op, richting jongeman. Met gespreide vleugels maakt het beest halt, blijft in deze houding staan en kijkt ons aanstellerig aan.
"Doe niet zo mal, joh, je bent geen aalscholver." zegt de jongeman.
He! Dat is mijn tekst.

Ik schat de pakkans in. Als ik nu wat argeloos overeind zou komen, de andere kant op kijkend, op zoek naar een bijzondere grassoort bijvoorbeeld, en als ik mij dan ineens op hem zou storten (de gans bedoel ik), hem bij de strot zou grijpen, zijn rugwervels zou knakken, zodat ik hem zou kunnen deplumeren en in een pan zou doen om er van allerlei fratsels met kruiden mee uit te halen, hoeveel kans op succes zou ik dan hebben?

De jongeman naast mij draait neuriŽnd een shaggie. Ik kom overeind, maar val direct om; mijn linker voet weigert dienst en ik beland op mijn snufferd. De gans verkiest het water en de jongeman raapt mij op.
"Wat was dat nou zo ineens, mevrouw? Heeft u zich bezeerd?"
Wat een warme, prettige stem heeft hij, wat ruikt hij lekker en wat is hij sterk! Ik kijk in zijn hemelsblauwe ogen. Jezus, wat zijn die blauw!

Het is bijna lente geloof ik.