Het Winterkoninkje


      Wie kent niet den kleinen, nauwelijks vier duim langen, altijd vrolijken, vertrouwenlijken, grauwbruin gestippelden vogel, die, naar het schijnt, het voorregt heeft, om de geheimste hoeken der gebouwen te mogen doorzoeken? Wie kent niet dien kleinsten koning, die eens, zoo als de fabel zegt, den grootsten, den trotschen arend, door list overtrof, daar hij, van het hoogste punt dat deze in de lucht konde bereiken, van onder diens vleugels te voorschijn krooop en eenige ellen hooger vloog? Nu eens bezoekt hij het op de plaats opgestapelde hout en wekt hij door zijne levendigheid den vermoeiden houthakker weder tot zijn arbeid op; dan eens toont hij den zoekende, hoe men elke reet onderzoeken, elk blaadje omkeeren moet om een gelukkige vlinder te zijn; dan weder geeft hij den hypochondrist en den misanthroop te kennen, hoe men de wereld en het leven met een vrolijk gelaat moet aanzien, en hoe men zelfs "bonne mine mauvais jeu" moet maken. Nu eens komt hij onder het venster der maagd, die in droomen van smachtende liefde is verzonken, en kijkt hij in het sentimentele oog der dweepster; dan weder loert hij uit de dichte heg van een tuin naar den bedelaar op den weg, groet hem hartelijk in spijt van den koningstitel, en vermaant hem zijn brood niet met tranen te gebruiken en het hoofd omhoog te houden onder de drukkende zorgen. Hoe dikwijls heb ik den schalkachtigen kleine benijd, wanneer hij in een priel sloop, waar een minnend paartje kussen en eeden wisselde, of waar hij de hartsgeheimen van eene opgewondene, met zich zelf sprekende schoone beluisterde. Als een vrolijke, altijd trekkende snaak, maakt hij overal weldra veroveringen. Zijn onophoudelijke humor vermaakt ons; zijne sierlijke, slanke gestalte en zijn bevallige bewegingen maken hem vooral tot een lieveling van de dames. De tuinier spaart met angstvallige voorzigtigheid het nest, dat het vogeltje op zijne luchtige wijze van allerlei korst- en bladmossen, dorre bladeren, worteltjes, halmen en wol, dijkwijls van een verbazenden omvang vervaardigt, om uit de kleine, stompe, witte, aan het dikke einde kransgewijs donkerbruin gestipelde eieren zoo vele jongen als mogelijk uit te broeden, zonder zich er om te bekommeren of zij in deze wisselvallige wereld teregt zullen komen. De vader verbiedt zijn zoon ten strengste op het winterkoninkje te schieten, en zelfs de kat, die reeds lang den ongenaakbaren achilles heeft leeren kennen, spaart list, veinzerij en inspanning, wanneer hij ze met een spottend geluid en aardige buigingen sart, even als een jongen, die in de overtuiging van zijne grootere sneldheid in het loopen den veldwachter toeroept: "Krijg mij maar eens!"
Ja lezer, geloof mij, ik heb wel eens gezien, hoe een oude kater in zulk eene positie van zijn ingeslagen weg afweek en langs een omweg zijn doel bereikte, ten einde die vernedering te ontgaan.

      Het roestkleurige, wigvorminge staartje van het winterkonkinkje is buitengewoon beweeglijk en veerkrachtig. Daarin openbaart hij zijn geheele vrolijke ziel. Het staat recht overeind als een roer, in spijt van weer en wind. Moet het zich in hoeken of gaten somtijds buigen, des te steiler staat het omhoog, wanneer het daartoe weer in de gelegenheid is. Men zou het den schepter van den kleinen koning kunnen noemen, dien hij met de waardigheid van aangeborene grootheid en met groote kracht voert. Maar wanneer de koningschepter met zulk eene vriendelijkheid en gemeenzaamheid, met zoveel innemende vertrouwelijkheid wordt gezwaaid, dan komt hij ons voor als een weldoende waaijer, die den moeden, verhitten arbeider koelte en verkwikking aanbrengt. En vertrouwen geeft vertrouwen, liefde wekt wederliefde.

      Wanneer het winterkoninkje hutten en huizen, gaten en verborgene hoeken nauwkeurig onderzoekt, dan geeft het ons een denkbeeld van den waren volkskoning, die zich door eigen onderzoek van 's lands aangelegenheden overtuigt en niet, als een arend, ze van verre en uit de hoogte beschouwt. Doordien het elken schuilboek doorsluipt, ontdekt het menig voorwerp van aanzienlijke waarde, menig popje van uitgezochten smaak, maar ook van de vijandelijk gezinde spinnen menige web, die het verbreken, en waarvan het dan de eigenaars bij den kop pakken en onschadelijk maken kan.

      Onze lieveling bezit eene heldere, luid klinke stem, en zingt een lied, hetwelk eenige overeenkomst met dat van den kanarievogel heeft. Op schoone herfstdagen zoekt het jonge winterkoninkje ergens een hoog takje in de struiken, en begint het zich reeds te oefenen met de vlijt en volharding, die aan zijn geslacht eigen zijn. De vogel heeft nog den baard in de keel, zoals men wel zegt, en zijn stem slaat nu en dan door, wanneer het gevoel hem te machtig wordt.
Hij zoekt getrouw het lied der winterkoningen na te zingen, een lied, dat ouder is dan de geheimzinnige droomenwereld van de "duizend en ne nacht", en dat onder de winterkoninkjes, als eene korte, bevattelijke wijze, van geslacht tot geslacht wordt overgerfd.

      Zoo behoorden wij uwe zangwijzen kinderlijk te gevoelen en na te zingen, eenige MOZART! Mochten eindelijk toch ook de ontaaarde componisten uw natuurlijken weg inslaan, en hun armoede aan gedachten niet langer trachten te verbergen onder het effect van bedrieglijk klatergoud.

      Weldra draagt de jonge winterkoning het lied van zijn vader zonder haperen voor. De ruwe winter belet hem niet zijn muzikaal gevoel op de gewone wijze uit te drukken.
Op de ijsschors van een rivier, op een losgewoelden boomwortel, op de glinsterende sneeuw, op een dorren tak of boven op de dakvorst zingt hij reeds 's morgens vroeg zijn vrolijk liedje in de koude, blauwe lucht.

      Wanneer wij in aanmerking nemen, dat het winterkoninkje ook in slechte tijde vrolijk zingt, dan zien wij in zijn karakter de natuurlijke onbezorgdheid van eene onschuldige ziel, de tevredenheid van eene werkelijk kinderlijke natuur.

      Gij bezit toch wel een benijdenswaardig geluk, gij, die door scherts uwe zorgen kunt verdrijven, die uwe armoede siert met den rijkdom der tevredenheid, wier hemelsch licht zich over de sombere plaatsen van uwe leven uitstort, gij, die uwe hinderlijke naaktheid bedekt met uwe eigen menschenwaarde! Gelukkig zijt gij, die onversaagd uw leger opslaat onder brieschende leeuwen, die u aan den rand des afgronds in het springen oefent zonder duizeling te gevoelen, en die achter de dreigende onweerswolk een helderen, Italiaanschen hemel aanschouwt! Gelukkig maar zeldzaam zijt gij, die u altijd gevoelt, alsof de voorspoed u vergezelde, die altijd den zonneschijn in uw hart hebt! __ Tot die gelukkigen behoort het winterkoninkje.

      Maar, om de waarheid hulde te doen moet ik bekennen dat ik den armen vogel ook wel eens neerslachtig heb gezien, met ruige veeren en moeielijken gang. Klaarblijkelijk werd hij toen door den onverbiddelijken honger geplaagd, en de snerpende noordoostenwind blies hem in de veeren. Toen vloog hij op den mesthoop en zocht hij zijn kost met de geelgorzen, vinken en musschen, met wie hij anders niet pleegt om te gaan. Maar wie verloochent niet wel eens eene enkele maal zijn karakter: Wie laat zich niet wel een enkele maal door het gewicht van den tegenspoed nederslaan? Voorzeker, ook wij hebben wel eens sombere dagen, maar nog meer zulke, waarop wij ons zelf niet meer kennen, als wij namelijk met alledaagsche menschen verkeeren en zoo zelf een alledaagsch mensch worden. Een dichte sluier ligt dan over den akker van onzen geest; Het is, als wisten wij niets van den schoonen bodem, waarin eene onzichtbare hand de goede zaadkorrels heeft gestrooid. Maar, even als een luw windje het winterkonkinkje weder tot zich zelf doet komen, zoodat het dadelijk weder de oude is, zoo wordt ook de sluier van onzen geest eensklaps opgelicht door een aangenaam voorval, door een toevalligen prikkel, een sneeuwkokje, een viooltje, een liefelijke gestalte, een interessant gezicht of een opwekkend gesprek, en zie: ___ geurige bloemen ontluiken, zoete vruchten rijpen onder dien zegenenden straal, wij hooren het gras in ons groeijen en den forschen boom in ons ruischen, die uit het onaanzienlijke mosterdzaadje is gesproten. Dat is de hoogere ingeving, dat is het ontwaken van den eingelijken mensch, althans van zijne hoogere en betere natuur.

      Om de waarheid evenwel in elk opzicht getrouw te blijven, moeten wij bekennen dat het winterkonkinkje nog aan eene andere, werkelijk menschelijke zwakheid mank gaat. Hij is namelijk ijverzuchtig ten gevolge van zijne teedere liefde.
In het voorjaar vecht hij hardnekig in heggen en struiken met andere jonge mannetjes om het bezit van een wijfje. Wie zal hem echter den kampstrijd om zoo iets kwalijk nemen? Wie zal het in hem afkeuren, dat hij het wijfje door hartstochtelijke buigingen zijn hof maakt, en ze in hare vlucht door heggen en groene kruisbessenstruiken vervolgt? Geniet den schoonen tijd der liefde, kleine vogel met uw groot hart!
Wij maken het niet beter. Hoe menig heeft ook voor zijne dame gevochten, haar liederen voorgezongen, haar spoor blozend gevolgd en eindelijk een nest voor haar gebouwd, al was het in verhouding dan ook minder groot dan het uwe.
Bouw maar voort, en gij, winterkoninginnetje, broed wakkere jongen uit, echte stamhouders en waardige koningszonen.


Uit: "Zangers der Natuur", vrij bewerkt naar Ad. en K. Mller door C. De Gavere, Doctor in de Wis- en Natuurkunde. Groningen, J.B. Wolters, 1866.
Tekening: Adolf Mller.